Turks.nl

“Geitenneukers”, islam, Andalusië en wij Oxiënters

Deel 2: de tolerantie, het denken en de dogmatiek

“Van alle oplichters die ons de Vijfde Colonne van de geitenneukers proberen te verkopen als een verrijking van onze toch al zo geweldige multiculturele samenleving, is Cohen de meest doortrapte…”.
– Theo van Gogh

In het eerste deel van dit essay hebben wij de waarde en daarmee de noodzakelijkheid van de vrijheidsrechten besproken. In het tweede deel beginnen we met de vaststelling dat wijlen Theo van Gogh ooit naar ons heeft verwezen als “geitenneukers”. Hoe moeten wij ons ethisch-cultureel überhaupt vanuit onze twee horizonnen (de westerse en oosterse) verhouden tot dit recht en dit soort uitspraken?

Om de draad van onze onderzoekingen uit het eerste deel weer op te pakken kunnen we voortborduren op de gedachte van Voltaire. Dit Volteriaanse draad verder spinnende komen wij –hoe lastig dit ook klinkt- tot de conclusie dat wij juist ook dit soort onwelgevallige uitspraken – onder de banier van het recht op een vrijheid van meningsuiting – met ons leven moeten verdedigen. Ondanks dat wij dergelijke uitspraken uitermate weerzinwekkend vinden. De bereidheid hiertoe bepaalt namelijk hoe krachtig ook onze eigen vrijheden zijn. Ik zou dit recht van Theo van Gogh hebben verdedigd omdat achter zijn wanstaltige uitspraken een duizelingwekkend mooie vrijheidsruimte schuilgaat die gevrijwaard dient te worden zodat de zoektocht naar de waarheid en de authentieke zelfontplooiing van eenieder gewaarborgd kan blijven (zie het eerste deel van dit essay). Ik zou daarom na dit recht van Van Gogh verdedigd te hebben – jegens onze gemeenschappelijke vijand van het vrije woord – ditzelfde recht hebben gebruikt om de intellectuele degens met Van Gogh te kruisen. Dit is immers hoe men de strijd in een rechtstaat en een multiculturele samenleving aangaat.

De  juridische reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting
In het eerste deel hebben we de politico-juridische vrijheid van meningsuiting naar voren gebracht. Wij aanschouwden dit recht badend in het licht van de grote waarden die daarmee gediend worden. Gelet op deze kolossale waarden volgt noodzakelijk dat wij de politico-juridische grenzen van dit recht zeer ruim dienen te trekken. Dit wordt in westerse liberale rechtsstaten ook doorgaans gedaan. Het adagium luidt dat daar waar er opgeroepen wordt tot geweld en mensen fysiek bedreigd worden de strafrechtelijke dam opgeworpen dient te worden. Binnen die zeer ruime grenzen van het vrijheidsrecht dienen anderen elke uitspraak te tolereren met het oog op de beide eminente waarden die dit recht mogelijk maakt voor eenieder. Dat bepaalde uitlatingen als beledigend kunnen worden ervaren, bijvoorbeeld wanneer zij betrekking hebben op religieuze denkbeelden, verandert dus in beginsel niets aan de politico-juridische grenzen van dit recht. De ander mag mijn of dijn religieuze overtuiging in twijfel trekken, het kritisch tot in de finesses ondervragen en onverbloemd problematiseren. De bekroonde karaktereigenschap die deze ruimte van de ander respecteert is de in onze westerse samenleving veelbesproken deugd der tolerantie. Hoe staat het nu met deze deugd in relatie tot ons Oxiënters?

De lichtgeraaktheid van onze dogmatische islam
Naar mijn inzicht vindt zij bij ons nog onvoldoende weerklank. Aan de zijde van onze oosterse horizon dient zich met betrekking tot de deugd der tolerantie nog een (r)evolutie te voltrekken. Velen van ons zijn nogal lichtgeraakt. Onze groep kent intern vele taboes, met name wanneer het op religieuze thema’s aankomt. Wanneer iemand bijvoorbeeld kritiek uit op bepaalde verzen uit de Koran of op bepaalde (overgeleverde) handelingen van de profeet, dan voelt menigeen zich tot op het bot gekrenkt en beledigd. Iemand zou toch echter binnen onze gemeenschap de ruimte moeten kunnen verkrijgen om kritische vragen te stellen over, alsmede kritiek te leveren op, een vers uit de Koran. Ter illustratie bijvoorbeeld vers 5.38:

“En snijdt de dief en de dievegge de hand af, als straf voor wat zij misdeden, een voorbeeldige straf van Allah. Allah is Almachtig, Alwijs.” 

In dit vers lijkt de wrede oproep te staan dat de hand van een dief afgehakt behoort te worden. Wellicht dat er alternatieve interpretaties mogelijk zijn van dit vers. Onderzoek en bevraging zal dit moeten uitwijzen. De ruimte om dit echter aan de kaak te stellen dient gegeven te worden zonder de onderzoekende geest te overgieten met bitterheid, hoon en smaad. Niet langer mag onze gemeenschap in de donkere dogmatische kerker verblijven waarin men zich tegen het licht van de rede keert aan de hand van de stelregel dat blindgeloof de grootste deugd is. Als onze overtuigingen de kritische toets van de rede en de wetenschappen kan doorstaan dan zijn zij pas waarlijk overtuigend. Anders is er slechts sprake van zelfbedrog en dwaling door het sluiten van de ogen. 

De religieuze dogmatici zijn echter die mensen die blindgeloof propageren. Deze dogmatici hebben vanaf de 13e eeuw alsmaar meer aan terrein gewonnen. Zij hebben de rede, de wil tot kennis en de meer spirituele humanistische benadering verstikt. En zie daar het dorre en wijde landschap dat ze ons hebben achtergelaten. Wat over is gebleven zijn de opgedroogde bronnen van de oosterse kunst, de wetenschappen en de filosofie, onderscheidenlijk de duizelingwekkende geweldsuitbarstingen die we in de naam van de islam ontwaren in monsters als ISIS welke het geweten van de mensheid hebben geschokt. Deze eeuwenlange ban van de dogmatische taboesfeer dient doorbroken te worden in onze eigen gemeenschappen hier en nu in Europa. De enige wijze waarop dit mogelijk is, is door moedig, ijverig en onverwrikt te spreken, en het vervolgens steeds weer te doen met een vingerwijzing naar de stromende rationele en spirituele beekjes uit Andalusië.

Al-Andalus, filosofie, wetenschap en Averroes
Als ik Andalusië (al-Andalus) zeg, dan verwijs ik naar de tijd dat Spanje in handen was van de islamitische Moren. Andalusië staat namelijk symbool voor de rationele en spirituele benadering binnen onze oosterse horizon, die met name in de 8e tot en met de 12e eeuw heeft plaatsgevonden in Zuid-Spanje. Dit zijn de extatische goudeneeuwen vanuit onze oosterse horizon waarin denkers als Avicenna en Averroes tot de hoogste hoogten zijn geklommen. Zij vormen onze voorname lichtbakens. Het was een tijd waarin islamitische, christelijke en joodse geleerden hun ideeën vrij konden uitwisselen en gezamenlijk filosofische en wetenschappelijke projecten konden ontvouwen. Wetenschap en filosofie waren het brandpunt van hun broederlijke werkzaamheden. Andalusië vormde onder deze moslimheerschappij ook het centrum van de joodse intellectuele activiteiten. Daarin voltrok zich eveneens het gouden tijdperk van het jodendom. De grootste joodse denker Maimonides werd door deze Andalusische geest voortgebracht in Cordoba. Hij schreef zijn meest roemrijke filosofisch traktaat zelfs in het Arabisch.  

Een bruisende intellectuele atmosfeer omspande deze oosterse cultuur. Een atmosfeer die gepreserveerd had moeten worden. Een dergelijke vrije en kunstzinnige cultuur is op een andere toon afgestemd en blijft altijd kwetsbaar. Zo een soort cultuur bestaat bij gratie van een bepaalde krachtsverhouding. Zij wordt immers aanhoudend en ononderbroken bedreigd vanuit dogmatische hoek. Als die vruchtbare creatievrijheid echter eenmaal is gesmoord dan zal zij door de gistende dogmatische zuurdesem ook niet snel terugkeren. 

Averroes, onze meest vermaarde oosterse filosoof, leefde in de 12e eeuw en was eveneens afkomstig uit Cordoba. Van zijn denken en werken is zulk een onuitsprekelijke bekoring uitgegaan dat hij tot op de dag van vandaag wordt afgebeeld en geëerd naast denkers als Plato en Aristoteles op de muur in het Vaticaan als eerbetoon aan de wijsheid. In zijn tijd heeft Averroes zich echter ook moeten wapenen tegen de aanvallen van de religieuze dogmatici die hem monddood wilden maken omdat volgens hen de religie geen ruimte zou bieden voor het denken en de wetenschap. De stelling van de dogmatici is dat de sacrale tekst letterlijk geïnterpreteerd dient te worden en er niet naar diepere betekenissen gezocht mag worden aan de hand van de wetenschappen. Wetenschap en filosofie zijn overbodig. Deze mentaliteit is ons Oxiënters allen bekend. Het is de cultuur waarin wij gevormd zijn en waarin wij ons mede door onze ouders en gemeenschap nog steeds in bevinden. Dit is de cultuur van het blinde geloof. Als de vragen te lastig worden dan moeten wij maar zwijgen en de traditionele dogmatiek als zoete koek slikken. Het antwoord van Averroes in zijn werk ‘De Beslissende Verhandeling’ aan deze verscheurende dogmatici is van historische grootheid:

“De waarheid (van het denken en de wetenschap) spreekt de waarheid (van de goddelijke openbaring) niet tegen; het stemt er veeleer mee overeen en is er een bevestiging van”.

De waarheid is één. Als de heilige tekst dus niet overeenstemt met wat de rede via wetenschappelijk werk heeft aangetoond, dan dient in de heilige tekst de oppervlakkige lezing verlaten te worden en de diepere betekenis van de woorden overeenkomstig de wetenschappelijke bevindingen gezocht te worden. Dit kan door de tekst allegorisch te interpreteren, zegt de devote filosoof Averroes. Een tekst heeft namelijk meerdere betekenislagen. 

Ondanks dit verheven verzet van Averroes overwon in onze oosterse horizon uiteindelijk toch de cultuur van het fundamentalistische blinde geloof. Wij bevinden ons met onze oosterse horizon al eeuwen in deze donkere schaduw, zonder een besef te hebben van hoe anders het had kunnen zijn en hoe anders het ooit is geweest. Om het schrille contrast tussen de dogmatische islam, die monsters als ISIS baren, onderscheidenlijk de open rationele en meer spirituele benadering ervan uit het verleden inzichtelijk te maken, zou ik graag een fragment voorhouden uit een brief van de monnik Adelhard uit Bath. Adelhard, een Engelse monnik uit de 12e eeuw, reisde af naar Andalusië. Hij schrijft in een brief aan zijn neef in Europa het volgende over de moslims die hij in Andalusië aantreft:

“Het is moeilijk voor mij om met jou te discussiëren…, want ik heb één ding geleerd van de Arabische onderwijzers, de rede als gids te gebruiken; doch jij, in de greep zijnde van dogma wordt geleid door oogkleppen.”

Hoe huiveringwekkend is deze mededeling van een 12e eeuwse Europese monnik voor ons bewustzijn? Hebben wij het vermogen om deze huivering nauwkeurig in elke cel en vezel van ons lichaam op te nemen? Begrijpen wij de diepste diepten van de draaiing van dit wereldtoneel van de geschiedenis? Doorvoelen wij hier op onze fijnste snaren de gigantische strekking van deze woorden? Zwelt ons hart niet van deze nieuwe waarheid? Het toont namelijk een omwaardering van onze horizonnen. De wereld op zijn kop, als ik dit zo plat mag uitdrukken. Daar waar het Westen tegenwoordig het symbool is van het hooggestemde vrije denken en wetenschap, en het Oosten symbool staat voor het holst van de nacht, was dit in de middeleeuwen juist omgekeerd. Toen scheen in de oosterse wereld het licht van de rede met al haar bekoorlijke stralen en gerieflijke warmte zachtjes over het gezicht van de oosterse mens. Licht op licht. In dat licht en in die tijden legde kalief al-Hakam tijdens zijn heerschappij in Cordoba een grote verzameling boeken aan, uiteenlopend van geschriften over landbouw, geschiedenis en filosofie tot werken over sterrenkunde, wiskunde en geneeskunde. De bibliotheek bezat naar schatting 400.000 boeken. Wellicht op dat moment meer dan het geheel aan manuscripten in West-Europa bijeen.

Ik vraag het u, waarom zouden wij Oxiënters deze fijnbesnaarde en hooggestemde ziel en atmosfeer van onze oosterse horizon niet opnieuw leven in kunnen blazen hier in ons Europa? Juist wij die beide horizonnen in ons herbergen. Is dit niet ook de weg naar een ruimte waarin verschillende visies op vruchtbare wijze naast elkaar en met elkaar kunnen bestaan? Binnen het kaderwerk van de multiculturele samenleving en de mensenrechten dient onze Oxiënters gemeenschap de deugd van de tolerantie voor de hoeveelheid aan andersluidende meningen – die zich zowel binnen als buiten de eigen groep voordoen – sterker te incorporeren. In plaats van intolerante dogmatische bitterheid en hoon op te dissen is het toch veel verhevener om aan de hand van een keur aan eigen argumenten uit het eigen denken de ander van een repliek te voorzien.

De romantische eigenheid en soefi persoonlijkheid
We moeten ons realiseren dat ook de dogmatische benadering een spoor is in het woestijnzand welke met een krachtige windvlaag weer kan verdwijnen in het zand. Hoe kunnen wij op onze eigen wijze het pad verder bewandelen dat belopen is door mensen als Averroes? Hiervoor is in elk geval een openheid voor het denken en de wending naar de individuele persoon(lijkheid) benodigd. De waardigheid van de eigen persoon(lijkheid) hebben we in het eerste deel van dit essay mogen aanschouwen. Het is de verzonken gedachte dat ieder persoon zijn eigen roeping heeft om te worden wie hij waarlijk is en zijn eigen innerlijke oceaan dient te bezeilen om tot de ontdekking van zijn mythe en visie te kunnen komen. Een aanknopingspunt hiervoor vinden we binnen de mystieke kant van de islam, het soefisme. Hierin ligt het accent op de relatie die de enkeling in zijn eigen persoonlijke diepte heeft met zichzelf en het absolute (god). Die relatie die in het hart gevoeld wordt trekt alles naar zich toe als het zwaartepunt van de spirituele betekenishorizon. 

Deze verhouding van de individuele persoon is het aanknopingspunt voor ons Oxiënters vanuit onze oosterse horizon om in Europa tot een ontvouwing te komen van een meer eigen rationele, existentialistische, tolerante, liefdevolle en spirituele benadering. Die benadering die zo noodzakelijk is om het project van de mensenrechten hartgrondig te kunnen omarmen. De islam is lange tijd een premoderne religie geweest, waarin de opvattingen van de gelovige gemeenschap de opvattingen van de enkeling lange tijd hebben mogen overschaduwen. Dit strookt echter niet met de ontdekking dat ieder persoon zelf zijn eigen bestemming en mythe moet kunnen ontvouwen. Dit is het eminentere licht van de individuele persoon op het licht van de gemeenschap. In de Koran zelf lezen we (vers 2:256) “Er is geen dwang in godsdienst” en (vers 109:6) “… voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst.”

Resumerend
Wat heeft onze aftastende zoektocht aan het licht gebracht? De vrijheid van meningsuiting heeft zich met twee waarden aan ons geopend. Die waarden van cyclopische afmeting maken dat juridisch gezien een wijde omtrek gereserveerd dient te worden voor dit recht. 

We zijn tot de bevinding gekomen dat in de grond van de zaak een cultuur van tolerantie ons Oxiënters dient te doorgloeien teneinde in een rijkgeschakeerde pluralistische gemeenschap in harmonie te kunnen leven met elkander. Wij Oxiënters dienen te ontwaken uit de dogmatische sluimer en mogen ons mee laten slepen door de extatische schoonheid en rationaliteit van de Andalusische mentaliteit. In de rede vinden we immers een smeltpunt van onze twee (westerse en oosterse) horizonnen. Bovendien vinden wij naast de Andalusische rationaliteit binnen onze oosterse horizon ook de waarde van de individuele persoonlijkheid binnen het soefisme. 

In deel 3 van dit essay gaan we verder en zullen we de ethische dimensie in onze westerse horizon van naderbij bekijken. Wellicht dat binnen die westerse horizon ook bepaalde ethische hervormingen nodig zijn. Het volgende wonderbaarlijke licht van soefi wijsheid zal ons hierbij mogelijk kunnen begeleiden:

Alvorens te spreken, laat uw woorden door drie poorten gaan.
Aan de eerste poort, vraag uzelf af, ‘Is dit waar?’
Aan de tweede poort, vraag uzelf af, ‘Is het noodzakelijk?’
Aan de derde poort, vraag uzelf af, ‘Is het goedhartig?’

Sapere aude! 

Hakan Külcü 

Turks.nl Redactie

Volg Turks.nl